Jeremiah 34:8-11

DSV_Strongs(i)
  8 H1697 Het woord H3414 , dat tot Jeremia H3068 geschied is van den HEERE H310 , nadat H4428 de koning H6667 Zedekia H1285 een verbond H3772 H8800 gemaakt had H5971 met het ganse volk H3389 , dat te Jeruzalem H1865 was, om vrijheid H7121 H8800 voor hen uit te roepen.
  9 H376 Dat een iegelijk H5650 zijn knecht H376 , en een iegelijk H8198 zijn maagd H5680 , zijnde een Hebreer H5680 of een Hebreinne H7971 H8763 H2670 , zou laten vrijgaan H3064 ; zodat niemand zich van hen, van een Jood H251 , zijn broeder H5647 H8800 , zou doen dienen.
  10 H8085 H8799 Nu hoorden H8269 al de vorsten H5971 en al het volk H1285 , die het verbond H935 H8804 hadden ingegaan H376 , dat zij, een iegelijk H5650 zijn knecht H376 , en een iegelijk H8198 zijn maagd H7971 H8763 H2670 zouden laten vrijgaan H5647 H8800 , zodat zij zich niet meer van hen zouden doen dienen H8085 H8799 ; zij hoorden H7971 H8762 dan, en lieten hen gaan;
  11 H7725 H0 Maar zij keerden H310 daarna H7725 H8799 wederom H5650 , en deden de knechten H8198 en maagden H7725 H8686 wederkomen H7971 H8765 H2670 , die zij hadden laten vrijgaan H3533 H8799 H8675 H3533 H8686 , en zij brachten hen ten onder H5650 tot knechten H8198 en tot maagden.