DSV
(i)
14 Daarom noemde men dien put, den put Lachai-roi; ziet, hij is tussen Kades en tussen Bered.
15 En Hagar baarde Abram een zoon; en Abram noemde den naam zijns zoons, die Hagar gebaard had, Ismaël.
16 En Abram was zes en tachtig jaren oud, toen Hagar Ismaël aan Abram baarde.