Job 39:1-12

DSV(i) 1 Zult gij voor den ouden leeuw roof jagen, of de graagheid der jonge leeuwen vervullen? 2 Als zij nederbukken in de holen, en in den kuil zitten, ter loering? 3 Wie bereidt de raaf haar kost, als haar jongen tot God schreeuwen, als zij dwalen, omdat er geen eten is? 4 Weet gij den tijd van het baren der steengeiten? Hebt gij waargenomen den arbeid der hinden? 5 Zult gij de maanden tellen, die zij vervullen, en weet gij den tijd van haar baren? 6 (Als zij zich krommen, haar jongen met versplijting voortbrengen, haar smarten uitwerpen? 7 Haar jongen worden kloek, worden groot door het koren; zij gaan uit, en keren niet weder tot dezelve. 8 Wie heeft den woudezel vrij henengezonden, en wie heeft de banden des wilden ezels gelost? 9 Dien Ik de wildernis tot zijn huis besteld heb, en het ziltige tot zijn woningen. 10 Hij belacht het gewoel der stad; het menigerlei getier des drijvers hoort hij niet. 11 Dat hij uitspeurt op de bergen, is zijn weide; en hij zoekt allerlei groensel na. 12 Zal de eenhoorn u willen dienen? Zal hij vernachten aan uw kribbe?