DSV_Strongs(i)
2
H1121 H120
Mensenkind
H1696 H8761
! spreek
H1121
tot de kinderen
H5971
uws volks
H559 H8804
, en zeg
H2719
tot hen: Wanneer Ik het zwaard
H776
over enig land
H935 H8686
breng
H5971
, en het volk
H776
des lands
H259
een
H376
man
H7097
uit hun einden
H3947 H8804
nemen
H6822 H8802
, en dien voor zich tot een wachter
H5414 H8804
stellen;
3
H2719
En hij het zwaard
H7200 H8804
ziet
H935 H8802
komen
H776
over het land
H8628 H8804
, en blaast
H7782
met de bazuin
H2094 H8689
, en waarschuwt
H5971
het volk;
4
H6963
En een, die het geluid
H7782
der bazuin
H8085 H8804
hoort
H8085 H8802
, [wel] hoort
H2094 H8737
, maar zich niet laat waarschuwen
H2719
; en het zwaard
H935 H8799
komt
H3947 H8799
, en neemt hem weg
H1818
, diens bloed
H7218
is op zijn hoofd.
5
H8085 H8804
Hij hoorde
H6963
het geluid
H7782
der bazuin
H2094 H8737
, maar liet zich niet waarschuwen
H1818
, zijn bloed
H2094 H8737
is op hem; maar hij, die zich laat waarschuwen
H4422 H8765
, behoudt
H5315
zijn ziel.
6
H6822 H8802
Wanneer daarentegen de wachter
H2719
het zwaard
H7200 H8799
ziet
H935 H8802
komen
H8628 H8804
, en blaast
H7782
niet met de bazuin
H5971
, zodat het volk
H2094 H8737
niet is gewaarschuwd
H2719
; en het zwaard
H935 H8799
komt
H3947 H0
, en neemt
H5315
een ziel
H3947 H8799
uit hen weg
H5771
; die is [wel] in zijn ongerechtigheid
H3947 H8738
weggenomen
H1818
, maar zijn bloed
H3027
zal Ik van des hand
H6822 H8802
des wachters
H1875 H8799
eisen.
7
H1121 H120
Gij nu, o mensenkind
H6822 H8802
! Ik heb u tot een wachter
H5414 H8804
gesteld
H1004
over het huis
H3478
Israels
H1697
; zo zult gij het woord
H6310
uit Mijn mond
H8085 H8804
horen
H2094 H8689
, en hen van Mijnentwege waarschuwen.
8
H7563
Als Ik tot den goddeloze
H559 H8800
zeg
H7563
: O goddeloze
H4191 H8800
, gij zult den dood
H4191 H8799
sterven
H1696 H8765
! en gij spreekt
H7563
niet, om den goddeloze
H1870
van zijn weg
H2094 H8687
af te manen
H7563
; die goddeloze
H5771
zal in zijn ongerechtigheid
H4191 H8799
sterven
H1818
, maar zijn bloed
H3027
zal Ik van uw hand
H1245 H8762
eisen.
9
H7563
Maar als gij den goddeloze
H1870
van zijn weg
H2094 H8689
afmaant
H7725 H8800
, dat hij zich van dien bekere
H1870
, en hij zich van zijn weg
H7725 H8804
niet bekeert
H5771
, zo zal hij in zijn ongerechtigheid
H4191 H8799
sterven
H5315
; maar gij hebt uw ziel
H5337 H8689
bevrijd.
10
H1121 H120
Daarom, gij mensenkind
H559 H8798
! zeg
H1004
tot het huis
H3478
Israels
H559 H8804
: Gijlieden spreekt
H559 H8800
aldus, zeggende
H6588
: Dewijl onze overtredingen
H2403
en onze zonden
H4743 H8737
op ons zijn, en wij in dezelve versmachten
H2421 H8799
, hoe zouden wij dan leven?
11
H559 H8798
Zeg
H2416
tot hen: [Zo] [waarachtig] [als] Ik leef
H5002 H8803
, spreekt
H136
de Heere
H3069
HEERE
H2654 H8799
, zo Ik lust heb
H4194
in den dood
H7563
des goddelozen
H7563
! maar daarin [heb] [Ik] [lust], dat de goddeloze
H7725 H8800
zich bekere
H1870
van zijn weg
H2421 H8804
en leve
H7725 H8798
. Bekeert u
H7725 H8798
, bekeert u
H7451
van uw boze
H1870
wegen
H4191 H8799
, want waarom zoudt gij sterven
H1004
, o huis
H3478
Israels?
12
H1121 H120
Gij dan, o mensenkind
H559 H8798
! zeg
H1121
tot de kinderen
H5971
uws volks
H6666
: De gerechtigheid
H6662
des rechtvaardigen
H5337 H8686
zal hem niet redden
H3117
ten dage
H6588
zijner overtreding
H7564
; en aangaande de goddeloosheid
H7563
des goddelozen
H3782 H8735
, hij zal om dezelve niet vallen
H3117
, ten dage
H7562
als hij zich van zijn goddeloosheid
H7725 H8800
bekeert
H6662
; en de rechtvaardige
H3201 H8799
zal niet kunnen
H2421 H8800
leven
H3117
door dezelve [zijn] [gerechtigheid], ten dage
H2398 H8800
als hij zondigt.
13
H6662
Als Ik tot den rechtvaardige
H559 H8800
zeg
H2421 H8800
, dat hij zekerlijk
H2421 H8799
leven zal
H6666
, en hij op zijn gerechtigheid
H982 H8804
vertrouwt
H5766
, en onrecht
H6213 H8804
doet
H6666
, zo zullen al zijn gerechtigheden
H2142 H8735
niet gedacht worden
H5766
, maar in zijn onrecht
H6213 H8804
, dat hij doet
H4191 H8799
, daarin zal hij sterven.
14
H7563
Als Ik ook tot den goddeloze
H559 H8800
zeg
H4191 H8800
: Gij zult den dood
H4191 H8799
sterven
H2403
! en hij zich van zijn zonde
H7725 H8804
bekeert
H4941
, en recht
H6666
en gerechtigheid
H6213 H8804
doet;
15
H7725 H0
Geeft
H7563
de goddeloze
H2258
het pand
H7725 H8686
weder
H7999 H8762
, betaalt hij
H1500
het geroofde
H1980 H8804
, wandelt hij
H2708
in de inzettingen
H2416
des levens
H5766
, zodat hij geen onrecht
H6213 H8800
doet
H2421 H8800
; hij zal zekerlijk
H2421 H8799
leven
H4191 H8799
, hij zal niet sterven.
16
H2403
Al zijn zonden
H2398 H8804
, die hij gezondigd heeft
H2142 H8735
, zullen hem niet gedacht worden
H4941
; hij heeft recht
H6666
en gerechtigheid
H6213 H8804
gedaan
H2421 H8800
, hij zal zekerlijk
H2421 H8799
leven.
17
H559 H8804
Nog zeggen
H1121
de kinderen
H5971
uws volks
H1870
: De weg
H136
des HEEREN
H8505 H8735
is niet recht
H1870
; daar toch hun eigen weg
H8505 H8735
niet recht is.
18
H6662
Als de rechtvaardige
H7725 H8800
afkeert
H6666
van zijn gerechtigheid
H6213 H8804
, en doet
H5766
onrecht
H4191 H8804
, zo zal hij daarin sterven.
19
H7563
En als de goddeloze
H7725 H8800
zich bekeert
H7564
van zijn goddeloosheid
H6213 H8804
, en doet
H4941
recht
H6666
en gerechtigheid
H2421 H8799
, zo zal hij daarin leven.
20
H559 H8804
Nog zegt gij
H1870
: De weg
H136
des HEEREN
H8505 H8735
is niet recht
H8199 H8799
; Ik zal ulieden richten
H376
, een ieder
H1870
naar zijn wegen
H1004
, o huis
H3478
Israels!
21
H8147 H6240
En het geschiedde in het twaalfde
H8141
jaar
H1546
onzer gevankelijke wegvoering
H6224
, in de tiende
H2568
[maand], op den vijfden
H2320
der maand
H935 H8804
, [dat] [er] een tot mij kwam
H3389
, die van Jeruzalem
H6412
ontkomen was
H559 H8800
, zeggende
H5892
: De stad
H5221 H8717
is geslagen.
22
H3027
Nu was de hand
H3068
des HEEREN
H6153
op mij geweest des avonds
H6440
, eer
H6412
die ontkomene
H935 H8800
kwam
H6310
, en had mijn mond
H6605 H8799
opengedaan
H1242
, totdat hij des morgens
H935 H8800
tot mij kwam
H6310
. Alzo werd mijn mond
H6605 H8735
opengedaan
H481 H8738
, en ik was niet meer stom.
24
H1121 H120
Mensenkind
H3427 H8802
! de inwoners
H2723
van die woeste
H127
plaatsen in het land
H3478
Israels
H559 H8802
spreken
H559 H8800
, zeggende
H85
: Abraham
H259
was een enig
H3423 H0
[man], en bezat
H776
dit land
H3423 H8799
erfelijk
H7227
; maar onzer zijn velen
H776
; het land
H5414 H8738
is ons gegeven
H4181
tot een erfelijke bezitting.
25
H559 H8798
Daarom zeg
H559 H8804
tot hen: Zo zegt
H136
de Heere
H3069
HEERE
H398 H8799
: Gij eet
H1818
[vlees] met het bloed
H5375 H8799
, en heft
H5869
uw ogen
H1544
op tot uw drekgoden
H8210 H8799
, en vergiet
H1818
bloed
H776
; en zoudt gij het land
H3423 H8799
erfelijk bezitten?
26
H5975 H8804
Gij staat
H2719
op ulieder zwaard
H6213 H8804
; gij doet
H8441
gruwel
H2930 H8765
, en verontreinigt
H376
, een ieder
H802
de huisvrouw
H7453
zijns naasten
H776
; en zoudt gij het land
H3423 H8799
erfelijk bezitten?
27
H559 H8799
Alzo zult gij tot hen zeggen
H136
: De Heere
H3069
HEERE
H559 H8804
zegt
H2416
alzo: [Zo] [waarachtig] [als] Ik leef
H2723
, indien niet, die in die woeste
H2719
plaatsen zijn, door het zwaard
H5307 H8799
zullen vallen
H6440
, en [zo] Ik [niet] dien, die in het open
H7704
veld
H2416
is, het wild gedierte
H5414 H8804
overgeve
H398 H8800
, dat het hem vrete
H4679
, en die in de vestingen
H4631
en in de spelonken
H1698
zijn, door de pestilentie
H4191 H8799
zullen sterven!
28
H776
Want Ik zal het land
H4923
[tot] een verwoesting
H8077
en een schrik
H5414 H8804
stellen
H1347
, en de hovaardij
H5797
zijner sterkte
H7673 H8738
zal ophouden
H2022
; en de bergen
H3478
Israels
H8074 H8804
zullen woest zijn
H5674 H8802
, dat er niemand overga.
29
H3045 H8804
Dan zullen zij weten
H3068
, dat Ik de HEERE
H776
ben, als Ik het land
H4923
[tot] een verwoesting
H8077
en een schrik
H5414 H8800
zal gesteld hebben
H8441
, om al hun gruwelen
H6213 H8804
, die zij gedaan hebben.
30
H1121 H120
En gij, o mensenkind
H1121
! de kinderen
H5971
uws volks
H1696 H8737
spreken
H681
steeds van
H7023
u bij de wanden
H6607
en in de deuren
H1004
der huizen
H2297
; en de een
H1696 H8765
spreekt
H259
met den ander
H376
, een iegelijk
H251
met zijn broeder
H559 H8800
, zeggende
H935 H8798
: Komt
H8085 H8798
toch en hoort
H1697
, wat het woord
H3068
zij, dat van den HEERE
H3318 H8802
voortkomt.
31
H935 H8799
En zij komen
H5971
tot u, gelijk het volk
H3996
pleegt te komen
H3427 H8799
, en zitten
H6440
voor uw aangezicht
H5971
[als] Mijn volk
H8085 H8804
, en horen
H1697
uw woorden
H6213 H8799
, maar zij doen
H6213 H8802
ze niet; want zij maken
H5690
liefkozingen
H6310
met hun mond
H3820
, [maar] hun hart
H1980 H8802
wandelt
H1215
hun gierigheid
H310
na.