Ezekiel 33

DSV_Strongs(i)
  1 H3068 En des HEEREN H1697 woord H559 H8800 geschiedde tot mij, zeggende:
  2 H1121 H120 Mensenkind H1696 H8761 ! spreek H1121 tot de kinderen H5971 uws volks H559 H8804 , en zeg H2719 tot hen: Wanneer Ik het zwaard H776 over enig land H935 H8686 breng H5971 , en het volk H776 des lands H259 een H376 man H7097 uit hun einden H3947 H8804 nemen H6822 H8802 , en dien voor zich tot een wachter H5414 H8804 stellen;
  3 H2719 En hij het zwaard H7200 H8804 ziet H935 H8802 komen H776 over het land H8628 H8804 , en blaast H7782 met de bazuin H2094 H8689 , en waarschuwt H5971 het volk;
  4 H6963 En een, die het geluid H7782 der bazuin H8085 H8804 hoort H8085 H8802 , [wel] hoort H2094 H8737 , maar zich niet laat waarschuwen H2719 ; en het zwaard H935 H8799 komt H3947 H8799 , en neemt hem weg H1818 , diens bloed H7218 is op zijn hoofd.
  5 H8085 H8804 Hij hoorde H6963 het geluid H7782 der bazuin H2094 H8737 , maar liet zich niet waarschuwen H1818 , zijn bloed H2094 H8737 is op hem; maar hij, die zich laat waarschuwen H4422 H8765 , behoudt H5315 zijn ziel.
  6 H6822 H8802 Wanneer daarentegen de wachter H2719 het zwaard H7200 H8799 ziet H935 H8802 komen H8628 H8804 , en blaast H7782 niet met de bazuin H5971 , zodat het volk H2094 H8737 niet is gewaarschuwd H2719 ; en het zwaard H935 H8799 komt H3947 H0 , en neemt H5315 een ziel H3947 H8799 uit hen weg H5771 ; die is [wel] in zijn ongerechtigheid H3947 H8738 weggenomen H1818 , maar zijn bloed H3027 zal Ik van des hand H6822 H8802 des wachters H1875 H8799 eisen.
  7 H1121 H120 Gij nu, o mensenkind H6822 H8802 ! Ik heb u tot een wachter H5414 H8804 gesteld H1004 over het huis H3478 Israels H1697 ; zo zult gij het woord H6310 uit Mijn mond H8085 H8804 horen H2094 H8689 , en hen van Mijnentwege waarschuwen.
  8 H7563 Als Ik tot den goddeloze H559 H8800 zeg H7563 : O goddeloze H4191 H8800 , gij zult den dood H4191 H8799 sterven H1696 H8765 ! en gij spreekt H7563 niet, om den goddeloze H1870 van zijn weg H2094 H8687 af te manen H7563 ; die goddeloze H5771 zal in zijn ongerechtigheid H4191 H8799 sterven H1818 , maar zijn bloed H3027 zal Ik van uw hand H1245 H8762 eisen.
  9 H7563 Maar als gij den goddeloze H1870 van zijn weg H2094 H8689 afmaant H7725 H8800 , dat hij zich van dien bekere H1870 , en hij zich van zijn weg H7725 H8804 niet bekeert H5771 , zo zal hij in zijn ongerechtigheid H4191 H8799 sterven H5315 ; maar gij hebt uw ziel H5337 H8689 bevrijd.
  10 H1121 H120 Daarom, gij mensenkind H559 H8798 ! zeg H1004 tot het huis H3478 Israels H559 H8804 : Gijlieden spreekt H559 H8800 aldus, zeggende H6588 : Dewijl onze overtredingen H2403 en onze zonden H4743 H8737 op ons zijn, en wij in dezelve versmachten H2421 H8799 , hoe zouden wij dan leven?
  11 H559 H8798 Zeg H2416 tot hen: [Zo] [waarachtig] [als] Ik leef H5002 H8803 , spreekt H136 de Heere H3069 HEERE H2654 H8799 , zo Ik lust heb H4194 in den dood H7563 des goddelozen H7563 ! maar daarin [heb] [Ik] [lust], dat de goddeloze H7725 H8800 zich bekere H1870 van zijn weg H2421 H8804 en leve H7725 H8798 . Bekeert u H7725 H8798 , bekeert u H7451 van uw boze H1870 wegen H4191 H8799 , want waarom zoudt gij sterven H1004 , o huis H3478 Israels?
  12 H1121 H120 Gij dan, o mensenkind H559 H8798 ! zeg H1121 tot de kinderen H5971 uws volks H6666 : De gerechtigheid H6662 des rechtvaardigen H5337 H8686 zal hem niet redden H3117 ten dage H6588 zijner overtreding H7564 ; en aangaande de goddeloosheid H7563 des goddelozen H3782 H8735 , hij zal om dezelve niet vallen H3117 , ten dage H7562 als hij zich van zijn goddeloosheid H7725 H8800 bekeert H6662 ; en de rechtvaardige H3201 H8799 zal niet kunnen H2421 H8800 leven H3117 door dezelve [zijn] [gerechtigheid], ten dage H2398 H8800 als hij zondigt.
  13 H6662 Als Ik tot den rechtvaardige H559 H8800 zeg H2421 H8800 , dat hij zekerlijk H2421 H8799 leven zal H6666 , en hij op zijn gerechtigheid H982 H8804 vertrouwt H5766 , en onrecht H6213 H8804 doet H6666 , zo zullen al zijn gerechtigheden H2142 H8735 niet gedacht worden H5766 , maar in zijn onrecht H6213 H8804 , dat hij doet H4191 H8799 , daarin zal hij sterven.
  14 H7563 Als Ik ook tot den goddeloze H559 H8800 zeg H4191 H8800 : Gij zult den dood H4191 H8799 sterven H2403 ! en hij zich van zijn zonde H7725 H8804 bekeert H4941 , en recht H6666 en gerechtigheid H6213 H8804 doet;
  15 H7725 H0 Geeft H7563 de goddeloze H2258 het pand H7725 H8686 weder H7999 H8762 , betaalt hij H1500 het geroofde H1980 H8804 , wandelt hij H2708 in de inzettingen H2416 des levens H5766 , zodat hij geen onrecht H6213 H8800 doet H2421 H8800 ; hij zal zekerlijk H2421 H8799 leven H4191 H8799 , hij zal niet sterven.
  16 H2403 Al zijn zonden H2398 H8804 , die hij gezondigd heeft H2142 H8735 , zullen hem niet gedacht worden H4941 ; hij heeft recht H6666 en gerechtigheid H6213 H8804 gedaan H2421 H8800 , hij zal zekerlijk H2421 H8799 leven.
  17 H559 H8804 Nog zeggen H1121 de kinderen H5971 uws volks H1870 : De weg H136 des HEEREN H8505 H8735 is niet recht H1870 ; daar toch hun eigen weg H8505 H8735 niet recht is.
  18 H6662 Als de rechtvaardige H7725 H8800 afkeert H6666 van zijn gerechtigheid H6213 H8804 , en doet H5766 onrecht H4191 H8804 , zo zal hij daarin sterven.
  19 H7563 En als de goddeloze H7725 H8800 zich bekeert H7564 van zijn goddeloosheid H6213 H8804 , en doet H4941 recht H6666 en gerechtigheid H2421 H8799 , zo zal hij daarin leven.
  20 H559 H8804 Nog zegt gij H1870 : De weg H136 des HEEREN H8505 H8735 is niet recht H8199 H8799 ; Ik zal ulieden richten H376 , een ieder H1870 naar zijn wegen H1004 , o huis H3478 Israels!
  21 H8147 H6240 En het geschiedde in het twaalfde H8141 jaar H1546 onzer gevankelijke wegvoering H6224 , in de tiende H2568 [maand], op den vijfden H2320 der maand H935 H8804 , [dat] [er] een tot mij kwam H3389 , die van Jeruzalem H6412 ontkomen was H559 H8800 , zeggende H5892 : De stad H5221 H8717 is geslagen.
  22 H3027 Nu was de hand H3068 des HEEREN H6153 op mij geweest des avonds H6440 , eer H6412 die ontkomene H935 H8800 kwam H6310 , en had mijn mond H6605 H8799 opengedaan H1242 , totdat hij des morgens H935 H8800 tot mij kwam H6310 . Alzo werd mijn mond H6605 H8735 opengedaan H481 H8738 , en ik was niet meer stom.
  23 H3068 Toen geschiedde des HEEREN H1697 woord H559 H8800 tot mij, zeggende:
  24 H1121 H120 Mensenkind H3427 H8802 ! de inwoners H2723 van die woeste H127 plaatsen in het land H3478 Israels H559 H8802 spreken H559 H8800 , zeggende H85 : Abraham H259 was een enig H3423 H0 [man], en bezat H776 dit land H3423 H8799 erfelijk H7227 ; maar onzer zijn velen H776 ; het land H5414 H8738 is ons gegeven H4181 tot een erfelijke bezitting.
  25 H559 H8798 Daarom zeg H559 H8804 tot hen: Zo zegt H136 de Heere H3069 HEERE H398 H8799 : Gij eet H1818 [vlees] met het bloed H5375 H8799 , en heft H5869 uw ogen H1544 op tot uw drekgoden H8210 H8799 , en vergiet H1818 bloed H776 ; en zoudt gij het land H3423 H8799 erfelijk bezitten?
  26 H5975 H8804 Gij staat H2719 op ulieder zwaard H6213 H8804 ; gij doet H8441 gruwel H2930 H8765 , en verontreinigt H376 , een ieder H802 de huisvrouw H7453 zijns naasten H776 ; en zoudt gij het land H3423 H8799 erfelijk bezitten?
  27 H559 H8799 Alzo zult gij tot hen zeggen H136 : De Heere H3069 HEERE H559 H8804 zegt H2416 alzo: [Zo] [waarachtig] [als] Ik leef H2723 , indien niet, die in die woeste H2719 plaatsen zijn, door het zwaard H5307 H8799 zullen vallen H6440 , en [zo] Ik [niet] dien, die in het open H7704 veld H2416 is, het wild gedierte H5414 H8804 overgeve H398 H8800 , dat het hem vrete H4679 , en die in de vestingen H4631 en in de spelonken H1698 zijn, door de pestilentie H4191 H8799 zullen sterven!
  28 H776 Want Ik zal het land H4923 [tot] een verwoesting H8077 en een schrik H5414 H8804 stellen H1347 , en de hovaardij H5797 zijner sterkte H7673 H8738 zal ophouden H2022 ; en de bergen H3478 Israels H8074 H8804 zullen woest zijn H5674 H8802 , dat er niemand overga.
  29 H3045 H8804 Dan zullen zij weten H3068 , dat Ik de HEERE H776 ben, als Ik het land H4923 [tot] een verwoesting H8077 en een schrik H5414 H8800 zal gesteld hebben H8441 , om al hun gruwelen H6213 H8804 , die zij gedaan hebben.
  30 H1121 H120 En gij, o mensenkind H1121 ! de kinderen H5971 uws volks H1696 H8737 spreken H681 steeds van H7023 u bij de wanden H6607 en in de deuren H1004 der huizen H2297 ; en de een H1696 H8765 spreekt H259 met den ander H376 , een iegelijk H251 met zijn broeder H559 H8800 , zeggende H935 H8798 : Komt H8085 H8798 toch en hoort H1697 , wat het woord H3068 zij, dat van den HEERE H3318 H8802 voortkomt.
  31 H935 H8799 En zij komen H5971 tot u, gelijk het volk H3996 pleegt te komen H3427 H8799 , en zitten H6440 voor uw aangezicht H5971 [als] Mijn volk H8085 H8804 , en horen H1697 uw woorden H6213 H8799 , maar zij doen H6213 H8802 ze niet; want zij maken H5690 liefkozingen H6310 met hun mond H3820 , [maar] hun hart H1980 H8802 wandelt H1215 hun gierigheid H310 na.
  32 H7892 En ziet, gij zijt hun als een lied H5690 der minnen H3303 , [als] een, die schoon H6963 van stem H2895 H8688 is, of die wel H5059 H8763 speelt H8085 H8804 ; daarom horen zij H1697 uw woorden H6213 H8802 , maar zij doen ze niet.
  33 H935 H8800 Maar als dat komt H935 H8802 (zie, het zal komen H3045 H8804 !) dan zullen zij weten H5030 , dat er een profeet H8432 in het midden van hen geweest is.